Al vrijwel mijn hele leven denk ik na over wat het betekent om mens te zijn.
Niet als abstracte vraag, maar als iets wat zich telkens opnieuw aandient — in het leven zelf, in gesprekken met anderen en in de manier waarop we zijn gaan samenleven. De afgelopen tijd komt die vraag sterker terug, vooral wanneer ik kijk naar mentale gezondheid, zingeving en het groeiende gevoel van vervreemding dat veel mensen ervaren.
We leven in een wereld die sterk is ingericht op functioneren. Op presteren, aanpassen, meedoen. Op een lichaam dat moet werken en een hoofd dat moet presteren. Voor veel mensen werkt dat een tijd. Tot het niet meer werkt.
Dan ontstaan gevoelens van leegte, somberheid of afstand tot het leven. Soms duidelijk zichtbaar, soms nauwelijks benoembaar. Soms al op jonge leeftijd, soms pas later — wanneer alles wat het leven beloofde, ook daadwerkelijk is bereikt.
Er zijn vanzelfsprekend veel verklaringen voor deze gevoelens. Psychologisch, biologisch, sociaal. En we leven in een maatschappij die weinig ruimte laat voor vertraging, twijfel en innerlijk onderzoek. Toch zie ik onder deze verklaringen een dieper, stiller vraagstuk.
We zijn onszelf steeds meer gaan begrijpen als niet meer dan een functionerend lichaam met een denkend hoofd. Als iemand die moet passen binnen systemen, verwachtingen en rollen. Maar wanneer mens-zijn daartoe wordt teruggebracht, raakt iets essentieels onderbelicht. Veel jongeren voelen dit al vroeg. Een gevoel van:
ik pas hier niet,
ik snap deze wereld niet,
is dit alles wat het leven is?
Dat zijn geen zwakke of problematische vragen. Het zijn existentiële vragen. Ze gaan over betekenis, over bestaansgrond, over wie je bent los van wat je doet of moet worden.
Voor mij begint transformatie bij een andere realisatie: dat mens-zijn meer omvat dan botten, vlees en gedachten alleen. Dat er ook een innerlijke, niet-tastbare laag is — noem het bewustzijn, ziel of innerlijk leven — die gezien en erkend wil worden.
Wanneer die dimensie structureel weinig bedding krijgt, raakt het leven gemakkelijk leeg. Dan ontstaat een gevoel van af-gescheidenheid, van doelloosheid, van niet-thuis-zijn in de wereld. En daar zie ik veel zingevingvragen en depressieve gevoelens ontstaan.
Niet omdat er iets mis is met de mens. Maar omdat we proberen te leven vanuit een te smal mensbeeld. Dit besef dient zich niet altijd aan in tijden van crisis. Soms komt het juist wanneer alles op orde lijkt — wanneer succes, zekerheid of erkenning niet brengen wat ervan werd verwacht.
Ik schrijf dit niet als verklaring voor alles. Wel als een fundamentele laag die in onze samenleving weinig aandacht krijgt.
Mijn werk — en mijn aanwezigheid — bewegen zich rond deze laag. Niet om mensen iets aan te leren of te verbeteren, maar om ruimte te maken. Voor vertraging. Voor reflectie. Voor herinnering aan wat vaak vergeten raakt.
Mens zijn voorbij functioneren. Misschien is dat geen antwoord, maar wel een begin.
Mens zijn voorbij functioneren
Al vrijwel mijn hele leven denk ik na over wat het betekent om mens te zijn.
Depressiviteit en Hoop
Vandaag heb ik een verkorte versie van onderstaande blog op LinkedIn gedeeld.